September 25, 2020

Verdwijnend, Olivier en Patrick Poivre D'Arvor (proloog)

Ik miste mijn exit.

Gemist. Mooi en goed. Ik praat nog steeds. Ik spreek, maar niemand vanmorgen hoort mij niet meer, zelfs jij niet, Arnold. Motorongeluk. Ik, de nerveuze en gekwelde held, ik ben bijna zelfvoldaan. Bewusteloos. Ankylotic cervicaal, neurotisch stom. Steil liggend op de stoep in deze stralende maandag van mei. Gewond door de dood, of bijna, badend in mijn scharlaken sap. Dus ik bracht al mijn leven Ik mis hem.
De week begint zeker slecht.
Deze stilte, buiten! En in mij het geluid van waterspuwer en pijpen. Touwen en zenuwen geknepen, filamenten van koper en speeksel, krijsende banden, krassen, rammelaars en niets, een grote leegte helemaal saai. Dood in zijn vestibule. Katten, zwart als een slechte gedachte, steken mijn keel over. Word al verkeerd. Wonen ommuurd. Gevangenis. Droge tong. Mijn lieve leugens klinken uiteindelijk hol. Ik spreek nu alleen voor mezelf.
Niets om te bekennen. Ik wilde gewoon zwijgen. Zeg nooit nog iets. Zelfs niet vaarwel. En hier ben ik, levend! Lach niet, Arnold. Je weet het al te goed, ik speel verstoppertje met de leven. Maar ik ben altijd hersteld. De manier interesseerde me meer dan het doel. Ik heb falen vaak beschouwd als de ultieme manifestatie van schoonheid.
Ik heb lichtblauwe ogen diep genoeg in de banen, zeer dikke blonde lokken, een licht nerveuze lach en een lage stem die zich leent voor de meest intieme bekentenissen. Ik ben gelukkig met zowel vrouwen als mannen, maar op zesenveertigjarige leeftijd heb ik nooit een goede ervaring van het vlees gehad. Hoewel geboren onder het teken van Leo, is mijn lichaamsbouw verre van indrukwekkend. Ik meet slechts één meter achtenzestig en ik weeg precies drieënzestig pond en vijfhonderd gram.
Een zak Hercules.
De vernedering van mijn persoon is het doel dat ik altijd nastreefde. Hoe meer er aan mij wordt geleerd, hoe meer ik mezelf veracht. Dit einde, zo lang verwacht en geprovoceerd vanochtend, is iets te ver vooruit. Ik heb haast. Zo gehaast dat twijfel me greep toen ik mijn Brough Superior naar de 100 jaar oude eik gooide: waarschijnlijk verliet ik Clouds Hill's huis en liet ik de fonograaf draaien met Elgar's Second Symphony. En ik ben misschien vergeten om de zoon van mijn buurman te vragen die grote, zwarte, onbeschaamde merel neer te schieten die me een maand bij zonsopgang wakker had gemaakt.


Aan de voet van deze boom, op een nacht, tien jaar geleden al, wilde ik verdwijnen. De oplader is vastgelopen. Ik gaf het op. Ik heb mezelf beloofd terug te komen. De eik wachtte op me. Bij zijn schors vanmorgen wilde ik mijn huid opnieuw verbranden. Maar ik ben een stug dier. De schok was verschrikkelijk, de fiets dubbelgevouwen, ik niet. Ik heb nog zoveel van deze eeuwige nacht gedroomd. Inkt en fluweel, de strelende nacht van de lijkwade.
Ik durf het nauwelijks te openen. Al door het ooglid, prima, doorboort de dodelijke dag, het licht dat mijn oogkassen verwarmt, de wimpers streelt, het hoornvlies. Geweldige zon. Dus ik ben niet weggegaan ...

Aan jou, Arnold, aan jou, mijn onmisbare broeder, draag ik deze betreurenswaardige laatste paar uur van a op leven net zo bespottelijk, door gebrek aan discreter te zijn. Arnold, de laatste van ons, de vijf jongens, de vijf wormen, mijn jongere Arnold. Deze elf jaar die ons scheiden, een halve generatie. Ik geef me aan jou over. Je weet wat je moet doen. Hoe te improviseren, bespoedig de pijn. Ik heb deze meditatieve staat niet voorzien. Mijn verdwijning is woord voor woord geschreven. Het overleven van dit ongeluk helpt me helemaal niet.
Hier ben ik vanmorgen, gekruisigd en verlamd, het gescheurde leren pak, de bloedneus in het borstelige gras van het gangpad, de gehoekte schedel, een struiktak verzonken in de wang. Ik viel flauw in deze bocht van een Engelse landweg die zo verwrongen was als ik. Jehovah is afgeleid, zoals onze moeder zou zeggen, die zelf, ongetwijfeld, mij heeft geboren door afleiding. Bijna verontrust door mijn uiterlijk, waarom zou het meer zijn door mijn verdwijning?
Ik droom nu van een grote eeuwige slaap op het verse mos van de tuin van ons huis in Oxford. Ik droom, om de waarheid te vertellen, om Karkemish te vinden, in dit verre oosten, waar ik mijn eerste geluk-archeoloog kende op zoek naar een verloren beschaving. Waar ik de smaak ontdekte van een mannelijke vriendschap, een stralende jonge man, ook weg.Dit alles spint me door mijn vingers, zoals het zand van de woestijnen die me betoverden, zoals de stofdeeltjes in suspensie die ik waarneem in deze lichtstraal die speelt met de achteruitkijkspiegel van mijn motorfiets. Het zijn zij die ik al uren nadacht terwijl ik werd verweten dat ik een eeuwige dromer was. En het is dit stof dat ik opnieuw wil worden als ik, gecremeerd, zal worden verspreid op mijn plaatsen van nostalgie.
Laten we opschieten! Ik ben nog steeds een anoniem slachtoffer, je moet ervan genieten. Neus op de grond, ver van de magnesiumflitsen of karikaturen in de kranten, heb ik een paar minuten genoten van de rust van de goede mensen, gevoed of slapend. Opluchting komt niet en dat is goed. De zwarte bestelwagen is weg, het is een goed teken. Ik zou graag willen spreken, en heel veel en heel lang, maar de woorden schrikken, in verlegenheid gebracht. Tips van leven kom terug naar mijn mond als stukjes touw, afgescheurd door het getij van een oude barcasse, terwijl mijn motorfiets, zelfs liggend, volgzaam na het verlies, onverschillig blijft klagen en leeglopen. Mijn wiel draait nog steeds, niet erg lang, ik hoop het.


Ik zal alleen over het interieur spreken. Mijn hersenen, goed geschud door de herfst, koken: alles morst, congestie en verzacht. De meningen openen voor het geheugen en de bol bloeit in bloei, bloemblad na bloemblad.
In de rook van een oververhitte band en een andere, knal, herinner ik me een naam, een zin. Van iemand. Van zijn gezicht. Gescheurd in de herfst en geprojecteerd op mij, de spiegel dient me als onthullend. De spiegel plaatste zich voor mijn ogen. Ik zie hem nu, deze persoon. Hier is hij, deze persoon onder ons? wij: ik bedoel de kleine gemeenschap van verstrengelden van het bestaan ​​?, een wezen dat ik goed genoeg ken en dat ik uiteindelijk niet meer heb overwogen dus speelde hij me trucjes. Writer? Parttime. En dus nooit serieus genomen. Alles doen half, geluk als boeken, liefde als oorlog. In de spiegel, zijn weerspiegeling, mijn weerspiegeling. Die geest in de achteruitkijkspiegel, ik ben het, alleen ik. Alleen ik.

Eén seconde, de tijd stopt. Verbazing. Ik maak van de gelegenheid gebruik om op adem te komen, opnieuw te kwijlen en in de diepte van mij een overblijfsel van moed te zoeken. Om verder te praten. Alleen voor jou, Arnold, mijn laatste gids aan dit einde van de weg, op deze verlaten weg ... Voor jou houd ik van omdat je me nooit hebt veroordeeld, niet meer mijn afwezigheid dan mijn duplicatie. U weet niets van mijn hallucinaties. Ik ben waarschijnlijk gek in de ogen van de wereld, maar het is de wereld die fout is gegaan, je weet het, ik niet. Sinds mijn jeugd leef ik mis, ik loop in krabben. Een instinct van overleving heeft vlucht voorgeschreven, altijd ontsnappen, dat van jezelf, en een paar flip-flops van tijd tot tijd om me bang te maken. Om weg te rennen, voor een ja, voor een nee, om de grammatica van de wereld te wissen. Zelfs mijn boeken, snel geschreven, soms vergeten op het platform van een station, herschreven uit het geheugen, waren slechts ongelukken. Ik deed alles in een haast, inclusief slaap, luiheid, traagheid, meditatie ... Ik was zo snel dat ik, nadat ik een bepaalde hoogte van de militaire hiërarchie had bereikt, helemaal naar beneden kwam, Ik vond het leuk, haastte zich om daar te blijven. Ik kweekte snelheid als iemand een antilichaam ontwikkelt. Snel, dood, snel!
Op een dag werd ik sneller gevangen dan ik. Slachtoffer van de algemene nieuwsgierigheid. In groot gevaar. Weerloos, ik ben al vijftien jaar het voordelige product van een monsterlijke uitvinding: ik ben beroemd! Famous! Rhyme with zebra! Uiteindelijk zie ik er zo uit! Huisdier! En gekrast! Uit het register van de levende, gelukkige mensen. Een legende! Hier, daar, overal, altijd herkend. Haat tegen zichzelf, behoefte aan uitwissing. Ik kan er niet langer tegen, ik wil graag gillen dat ik het hoor. Maar laat me vooral niet naar jou kijken. Arnold, kom snel!

Ik heb een paar dingen van mijn gedaan leven, niets meer, en ik voel dat de zaak nu voorbij is. Het gordijn kan vallen. Geen groet, geen applaus. Een herinnering? A bis? Nooit. Ik had dromen met mijn ogen open.
De rest is tijdsbesteding. Goed gestreken. Tijd doorgebracht met tijd doorbrengen. Heb ik echt geleefd? Slecht ! Dit beest, dit aanstekelijke zelf heeft maar al te lang geduurd. Een halve eeuw om de planeet vol te rommelen, van de schoot van mijn moeder tot de latrine van de slechte barakken van de Royal Air Force. Heb ik alleen lief gehad? Kuis. Tweemaal, ja. Jongen en vrouw. Arabisch en Joods. Niet kunnen kiezen. Ik ben de toevallige onbepaaldheid! De hermafrodiet in het land van Eros. Ik heb natuurlijk in de uittocht met koffers gereisd, ik heb een of ander land gezien, koud als heet, hei of woestijn.Zoveel weg afgelegd om altijd terug te keren naar dezelfde plaats, de kin in de kom van de geboorte, met de medaille warm gedrukt in het vlees. Gouden ketting, ketting toch. Een geheel leven om te proberen los te komen!


Soms in het midden van Hedjaz, in het gezelschap van mijn bedoeïenenvrienden en prinsen van het zand, leek ik daar te zijn, in Dorset, in het Wales van mijn kindertijd, of in Frankrijk, niet ver van Dinard, waar we onze vakanties doorbrachten, mijn broers en ik. Zonder jou, mijn lieve Arnold ... je was nog niet geboren. Dus je hebt niet geweten dat goede oude graniet Keltisch, roze, ruw, ideaal om de geheimen van de levende doden onder grafstenen te verbergen. Alles was zwaar in deze jeugd, zoals de hemel die op onze ziel woog. Dit is het deksel dat ik wilde opheffen terwijl ik op de vlucht was voor het verblindende licht van een verblindende zon. De onmetelijkheid van de woestijn, de totale afwezigheid van kettingen: ik dacht dat ik daar mijn vrijheid vond. Maar ongetwijfeld was ik alleen getalenteerd vanwege vluchtig geluk. Het licht verblindde me en vandaag eindigt het om me langzaam te verbranden.
Op het moment van de laatste oproep weet ik niet eens wat mijn naam is. Zoveel familienamen voor één man ... Het is mijn complexiteit, maar het is van mij. Ik heb zoveel gelogen, mijn huid veranderd, dat ik op dit moment niet weet welke naam ik moet beantwoorden. Koning van maskers! En getallen in versterking. Zoveel aliassen, zoveel identiteiten als toeval van geluk. Het kan me niet schelen wat er na mijn dood gebeurt. Ik heb al gezegd dat ik weigerde om encelluloid te worden met geweld, en toch, ik kan wel eens eindigen, ik weet het, als een held van de duistere zalen voor verlaten westerlingen. Na "The son of the sheikh", "The Arab revolt" op het grote scherm! "De koning zonder kroon van Arabië" op tien haspels, "De prins van Mekka" in originele versie ...
Bij ondervraging vervaag ik de sporen, ik werp verbaal poeder met volle handvatten. Ik neem een ​​motorfiets in mijn oude Engeland of een jonge kameel in mijn geadopteerde Levant en ik ren zo snel mogelijk, in de voorkant van waar het is gratis. En zo was ik in slechts drie jaar woestijn veranderd in een mythe ... Als een vallende ster die zijn staart had gebeten en stikte met zoveel licht dat uit zichzelf kwam.

Vanuit mijn neusgat stroomt nu een mooi vermiljoenbloed dat het mos en de korstmossen van het gangpad kleurt. De landweg is verlaten. De fiets is binnen handbereik. Ik sta op, veeg me af met de vlakke hand, ga terug naar het zadel en vertrek weer. Gooi me opnieuw tegen mijn favoriete boom en sla dit keer de algemene verplettering van de schedelbak. Bel mijn broer ... behalve dat er niets anders beweegt. Geen woord spreken. Vanaf de grond geeft de spiegel het beeld van een gehandicapte persoon terug aan leven.
Arnold, kom me redden van zo weinig van mezelf. Ik mis je, ik wil je voor de laatste keer aan mijn zijde. Mijn dubbelganger! Je bent er voor toegewijd. Medeplichtige. Je zult komen, ik weet het, je spreekt, het is familie. Dubbel, half, driekwart, wat weet ik van je, behalve dat ik je niet heb gekozen? Broederschap, het spreekt voor zich.
Help me om mezelf voor altijd te wissen om deze afschuwelijke Amerikaanse reclame te vergeten die me heeft geruïneerd leven. Ik vond me uit, maakte me een andere, ik die al niets was, pijnlijk en verward voor mezelf. Dwing me om achternamen, pseudoniemen, adressen te veranderen. Mij ​​tegenspreken, tegen mezelf liegen tegen anderen. Ik ben hem verplicht een legende te zijn. En geteisterd door glorie, verwoest van dankbaarheid, weggevreten door ambiguïteit. Hij profiteerde van mijn zwakheden, deze twijfelachtige identiteit, hij misbruikte mijn aangeboren ziekte, mijn tendensen gevleid. Ik ben het aan hem verplicht om lastig gevallen te worden door de roddelpers, veracht door mijn hiërarchie, hier behandeld als een bedrieger en elders als een dorstlessend publiek. Ik ben een legende die lijdt om te sterven, maar die niet eindigt om te sterven.


En hier ben ik vanmorgen om na te denken over de ramp om daar na zoveel jaren te zijn aangekomen, zo'n toevoeging van werk, inspanning, beleefdheid, geweten. Het is altijd zo geweest, vanaf de eerste dagen, niet in staat om te weten wie mijn vader is, of mijn moeder mijn moeder is, of mijn broers van mij zijn? om met jou te beginnen, Arnold?, als ik een kleine Ned ben of al Thomas Edward Chapman-Junner, tweede luitenant, dan kolonel, of een privé-tweederangs en als, soldaat, mijn naam John Hume Ross is, registratienummer 352087, of TE Shaw, serienummer 7875698 of TE Smith, ook bekend als TES of T.E.L. Wat ben ik niet eindelijk? In het spel van zeven ambachten, wist ik nooit welke kaart ik moest tekenen: archeoloog, spion, officier, cartograaf, leider van revolte, schrijver-redacteur-vertaler, monteur? Dying? En voor hoe lang?
Mijn biografen doen alsof ze weten. Ze leven nog of staan ​​op het punt om geboren te worden.Ik ben een uitstekend onderwerp. Ik verkoop kranten, tijdschriften, boeken ... Het is echt tijd om te draaien op de Engelse manier zoals ze in Dinard zeggen. Om een ​​Frans verlof te nemen, in mijn taal. Het zal nodig zijn, vrees ik, om een ​​beetje te wachten. Ik ben gewend aan lange wakes en kronkelende meanders in de Sinaï. Dagen zonder iets te drinken, mijn bult op de rug vol met een gezond vet. Als tiener, in Oxford, toen volwassen, in Arabië, bracht ik nachten door zonder te slapen, hele dagen zonder eten, terwijl mijn voeten bloedden en mijn hoofd in brand stond. Sterk, het beest!
Voor jou, mijn essentiële broeder, jij, de laatste vriend van de jeugd die ik nog heb, zou ik willen schrijven wat ik al zei tegen mijn goede Mila, het schrijven en dan afscheid van je nemen: "Weet je wat is om plotseling te ontdekken dat iemand de zijne volledig heeft gemist leven Al deze obstakels, ik heb ze geknoopt, bewust, in de wens om me vast te binden tot het punt van het verliezen van alle hoop, alle macht om te handelen. Zolang ik adem heb levenmijn kracht zal werken om mijn ziel in de gevangenis te houden, omdat het nergens anders veilig kan zijn. Aan de wortel van de vele verzakingen die ik de afgelopen jaren heb ervaren, is er de angst om weggevaagd te worden in de race om bevrijdende kracht. Ik was bang voor mezelf. Is het gekheid? "
Nee, het is niet gek, Arnold, help me om mezelf te overtuigen. Dit is alleen maar schaamte voor degene die ik ben geworden. Te veel verschil tussen jezelf, je imago en je eigen imago. Ik kan het niet uitstaan ​​onder de indruk te zijn, gereproduceerd op foto's tot miljoenen exemplaren. Ik had graag de aarde verlaten als een leekheilige, zwevend, verdampend door ascese. Ik had graag van bovenaf naar me willen kijken, onbeweeglijk als een versluierd cliché, onherkenbaar. En verdwijnen voorgoed.



THE ACT OF PAINTING (September 2020)